Gastblogger Margot van Rijn – Verdriet mag er zijn

“Ik haat dinsdagen”, zegt Jip vanmorgen. Hij kan niet goed uitleggen waarom. Hij heeft er gewoon geen zin in vandaag. Hij maakt een boterham met vlokken voor zichzelf klaar. Als hij gaat snijden, vliegen de vlokken in het rond. Meer vlokken naast dan op zijn bord. Hij is er klaar mee. Stampvoetend rent hij naar boven. Als we verzuchten dat hij met het verkeerde been uit bed gestapt is, zegt Zoë serieus: “Ik stap altijd met hetzelfde been uit bed.” We lachen en Coen legt Zoë het principe van spreekwoorden en gezegden uit. Ondertussen ben ik naar Jip toe gelopen. Hij ligt op zijn bed. Ik aai z’n blonde haren en geef een kus op zijn wang. Hij is al wat bedaard, dat zie ik. Ik ben even bij hem. Weinig woorden. Ik zeg hem dat ik zijn boterham wel snijd en dat hij naar beneden mag komen als hij daar weer klaar voor is. Hij neemt zijn tijd en schuift even later weer aan de ontbijttafel. We knuffelen nog wat en vervolgen onze dagelijkse dingetjes. Als ik de kinderen later aanspoor tot tanden poetsen, begint Jips frustratie weer te borrelen. Hij wil niet. Hij wil niets. Hij wil niet naar school. Ik weet allang dat het gemok van vanochtend veel meer is dan ‘met het verkeerde been uit bed stappen’. Ik voel wat er met Jip gebeurt. Hij weet zich geen raad. Hij voelt zoveel. De tranen gaan rollen. Het is deze week die hem raakt. Deze eerste week van november. De week waarin we de donkere wolk van 4 november weer voelen. Zelfs als we er niet aan zouden denken, voelen we het in alles. In de klok die weer is verzet. De herfstblaadjes die vallen. De Sinterklaastijd die voor de deur staat. In ons lijf en ons hart. We voelen: het is weer zover.

Jip huilt. Hij blijft vooral zeggen dat hij niet naar school wil. “Ik wil bij jou blijven, mama.” Ik neem mijn grote jongen van bijna anderhalve meter op schoot. Hij kruipt dicht tegen me aan. Klein en kwetsbaar laat hij zich wiegen en troosten. Ik vertel hem dat hij wel gewoon naar school gaat. Dat ik met hem mee zal gaan en dat we met de juf zullen praten. Dat hij niet alleen is. De tranen blijven stromen, hij is het er nog niet echt mee eens. Maar ik voel dat ik hem vandaag iets mag leren. Hij kruipt lekker bij mij achterop de fiets. Zelf fietsen is teveel gevraagd. Met zijn armen om mijn middel, leunt hij tegen me aan. Nog steeds in tranen. Soms even stil, maar dan opeens weer hevig huilend. Als we bij school aankomen, vertel ik Jip dat ik zijn gevoel zo herken. Dat ik deze week ook snel boos en verdrietig ben. Dat ik het soms ook niet helemaal begrijp, maar dat ik wel voel dat er van alles in mij gebeurt. Verwarrende gevoelens, verdrietige gevoelens. En dat wij juist deze week met de mensen om ons heen mogen delen hoe we ons voelen. Omdat ze het dan begrijpen en er voor ons kunnen zijn. Zodat we niet alleen zijn. En dat is wat we gaan doen. Snikkend over het schoolplein, we lopen naar zijn klas. De juf weet wat voor week het voor ons is. Als ik zeg dat Jip een lastige ochtend heeft en ze ziet Jips betraande gezicht, snapt ze het meteen. We praten met z’n drietjes. Jip blijft me vasthouden. De juf geeft hem alle ruimte. Ze heeft gisteren al aan Jip gemerkt dat de voorbereidingen voor Allerzielen hem raakten. Dat het verdriet op zijn gezichtje af te lezen was. En dat dat oké is. Dat hij mag tekenen of knutselen voor papa. Dat hij mag praten of stil mag zijn. Jip hoort alles. Hij neemt het in zich op. Hij geeft aan dat hij er juist wel over wil praten in de klas. Hij wordt langzaam wat rustiger. We laten hem voelen dat we er voor hem zijn. Allemaal. En dat hij zijn verdriet mee mag nemen. Dat het er mag zijn. Hij kruipt op zijn stoel en haalt zijn tekenschrift tevoorschijn. Ik geef hem een aai over zijn bol en zeg hem gedag. Met een knipoog en een blik van dankbaarheid naar de juf. Ik laat hem vol vertrouwen bij haar achter. Jip komt echter weer hard huilend achter me aan gerend. Hij wil me niet loslaten. We houden elkaar nog een poosje stevig vast. Ik vertel hem dat ik niet wegga. Dat ik dichtbij hem ben. Dat ik van hem houd. En dan mag ik gaan…

Op de weg terug naar huis rollen mijn eigen tranen. Dit went nooit. De tranen van Jip, die zijn vader mist. Ik denk terug aan de momenten in Den Haag waarop we huilend naar school gingen. Jip als kleuter aan mijn ene hand, Zoë als peuter aan de andere. Toen was ik het, die huilde. Wanhopige tranen. Boze tranen. Tranen om weer een nieuwe dag. De moed zó diep in mijn schoenen. Met nog zoveel dagen daarna, die als een onmetelijk gebergte voor me lagen. Ik wilde niet. Ik kon het niet. Huilend droeg ik Jip dan over aan de juf. Zij nam hem vol liefde onder haar hoede. Vandaag stuur ik haar een berichtje als ik thuis kom. Omdat zij weet hoe het toen voelde. En hoe het deze week voelt. Verdriet dat nooit verdwijnt. Geluk dat weer door ons leven stroomt. In groot contrast met het verdriet van toen. Naast elkaar. Maar soms ook dwars door elkaar. Verwarrend en geruststellend. Want we weten inmiddels dat al die dagen waar ik zo tegenop zag, achter ons liggen. Dat we samen dat gebergte hebben getrotseerd. Dat er altijd hoop is. En liefde. Ook al kun je dat soms niet meer voelen. Vandaag huil ik met Jip. Maar mag ik hem ook leren dat ons verdriet er mag zijn. Dat het bij ons hoort. Voor altijd. En dat er altijd mensen zijn die hem willen troosten en helpen. Zoals de juf toen. En de juf vandaag.

1 antwoord

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *